René Veenstra (1969) is hoogleraar bij de basiseenheid sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen. In 1999 promoveerde hij bij sociologie op een onderzoek naar verschillen in prestaties en vorderingen tussen leerlingen in het voortgezet onderwijs (getiteld Leerlingen – Klassen – Scholen). Sinds 2000 doet hij onderzoek naar de ontwikkeling van prosociaal en antisociaal gedrag, vriendschapsrelaties, pesten en ouder-kind interacties. Dit onderzoek maakt deel uit van TRAILS (TRacking Adolescents’ Individual Lives Survey), een onderzoek naar de lichamelijke en geestelijke gezondheid van leerlingen op weg naar de volwassenheid. René Veenstra was eerst vijf jaar postdoc bij TRAILS en werd later lid van het managementteam van TRAILS.

In 2005 werd hij universitair docent bij sociologie, in 2008 universitair hoofddocent en in 2011 adjunct hoogleraar. Hij was in de periode 2007-2011 gasthoogleraar bij de vakgroep psychologie aan de Universiteit van Turku, Finland. Hij geeft colleges over criminaliteit en veiligheid en beleid en interventies en is als onderzoeker verbonden aan de onderzoeksschool ICS. Het onderzoeksprogramma Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen werd door de Visitatiecommissie Sociologie 2014 beoordeeld met excellent (5.0 voor kwaliteit en relevantie) en zeer goed tot excellent (4.5 voor productiviteit en levensvatbaarheid). Het ICS is een van de negen onderzoekscholen in Nederland die subsidie kregen uit de eerste ronde van het NWO-Graduate Programme. Sinds 2014 is René Veenstra directeur onderzoek van de vakgroep Sociologie en directeur van het ICS.

Hij coördineerde, dankzij het Onderwijs Bewijs Actieprogramma II, de evaluatie van het KiVa antipestprogramma in Nederland. In 2013 was hij voorzitter van de commissie die onderzoek deed naar de zelfdoding van Fleur Bloemen. In 2015 kreeg hij een VICI-beurs (anderhalf miljoen euro uit de NWO Vernieuwingsimpuls). In 2015 was hij ook een van de finalisten van de Huibregtsenprijs. In 2019 werd hij gekozen als lid van de Koninklijke Hollandse Maatschappij der Wetenschappen (KHMW), opgericht in 1752. Hij publiceerde onder meer in Aggressive BehaviorChild DevelopmentDevelopmental PsychologyInternational Journal of Behavioral DevelopmentJournal of Research on Adolescence, en Social Networks. Voor de periode 2010-2015 is hij Associate Editor van de Journal of Research on Adolescence. Voor dat tijdschrift redigeerde hij een in september 2013 verschenen themanummer getiteld Network and Behavior Dynamics in Adolescence.

Het vakgebied van zijn leerstoel betreft de sociale ontwikkeling, in het bijzonder van jongeren. Het onder de leerstoel ressorterende onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksprogramma ‘Social Networks, Solidarity, and Inequality’ en is gericht op het uitwerken en toetsen van theorieën over de ontwikkeling van prosociaal gedrag (solidariteit, hulpgedrag) en antisociaal gedrag (criminaliteit, pestgedrag). Bij de theorieontwikkeling staat het uitwerken van de mechanismen achter dit gedrag centraal. Om te begrijpen waarom mensen niet alleen prosociaal gedrag maar ook antisociaal gedrag vertonen is inzicht in hun beweegredenen cruciaal. Bijzondere belangstelling daarbij gaat uit naar selectie- en invloedseffecten bij de ontwikkeling van netwerken en gedrag. Daartoe worden onder meer sociale-netwerkprocessen bestudeerd van positieve (vriendschappen) en negatieve relaties (dader-slachtofferrelaties, bijvoorbeeld bij pesten). Bij de empirische toetsing wordt gebruik gemaakt van multivariate statistische analysemethoden, waaronder sociale-netwerkanalyse. De theoretische en empirische inzichten in netwerkprocessen zijn van belang voor interventies, bijvoorbeeld om leerkrachten en leerlingen meer inzicht te geven in de relaties binnen de klas om zo bijvoorbeeld pesten tegen te gaan.

Op 15 oktober 2013 hield hij zijn inaugerele rede als hoogleraar.